Verhalen

Sat 21-Sep-19 - 02:47:01

<=== Naar de Inhoudsopgave

Jong geleerd...

Datum: Fri 01 August 2003
Door: Henry Haggard
Dit Verhaal gaat over: Nachtelfen

Elke keer wanneer ik er aan terugdenk, bekruipt het gevoel van angst mij weer. De duistere nachten, de lugubere acties en het stille geschreeuw. Maar waarom? Laat ik beginnen bij het begin ... enkele maanden terug.

Onze scouts hadden ze wel gemerkt. Ook al dachten ze dat ze zo voorzichtig door onze bossen slopen, elke nacht hoorde je ergens wat takjes onnatuurlijk kraken. Bij de eerste keer, denk je nog dat dat weer van die beginnende avonturiers zijn die denken dat zij zich niet opvallend moeten gedragen en dat ze te bevreesd zijn om in ons dorp om overnachting te vragen. Wij zijn best gastvrij, weet je. Want wij zijn ook jong en onervaren geweest. Maar beginnende avonturiers maken meer fouten. Die blijven niet weken lang in één omgeving ronddwalen. Of zij laten zich zien, Of ze vertrekken weer.

Maar dit, dit duurde te lang. En het was te onnatuurlijk. Zelfs de nachtdieren hielden zich stil. Totdat ... één van onze scouts vond de omgewoelde grond met de bloedsporen het eerst. Hier was duidelijk een gevecht aan de gang geweest, een gevecht van man tegen dier. En aan de sporen te zien moet het dier een wild zwijn geweest zijn. Ook was dit niet zo lang geleden gebeurt, hooguit twee dagen geleden. Niemand kon zich het geluid van een gevecht herinneren. Net zo min als het geluid van een wild zwijn dat strijd voor zijn leven. Het aantal personen dat aan dit gevecht mee deed was niet meer te onderscheiden in het uitgewiste spoor.

De scouts hadden het uitgewiste spoor verder op nog proberen op te pakken. Ze kwamen maar tot de rivier op nog geen 100 meter afstand. Deze hadden ze nog enkele kilometers in beide richtingen en aan beide oevers afgezocht. Maar er was niets te vinden.

De volgende nacht was het stil. Het was echt stil. Angst-aanjagend stil zelfs. De nacht daarop hadden onze scouts verder weg van ons dorp de wacht gehouden. Weer een takje dat onnatuurlijk gekraak veroorzaakte. En ja hoor, in de nachtelijke verte waren een zestal personen te zien. Met zijn tweeën gingen onze scout op nader onderzoek uit.

Terwijl er één achter bleef, sloop de andere vanuit een boom naar beneden. Hij werd ontdekt. Wat er daarna gebeurde is haast zo afschuwelijk, dat je twijfelt of deze indringers wel van sylvaniteit gehoord hadden. Eerst werd hem met een spreuk het zwijgen opgelegd. Daarna werd hij van zijn kleding ontdaan en werd hij ledemaat voor ledemaat gevild, waarna de betreffende ledematen afgehakt werden. Hij moet het uitgegild hebben van de pijn, maar zonder stem, klinkt dat niet ver. Vervolgens werd zijn borst en rug gevild. En als laatste werd hij levend gescalpeerd, waarna ze hem onthoofd hadden.

De tweede scout bleef dood stil in zijn boom zitten, hoog en veilig. Hij wist dat hij bij één enkel geluidje ook ontdekt zou worden en waarschijnlijk hetzelfde lot zou ondergaan. Hij moest het aanzien. Hij moest het overleven. Iemand moest dit kunnen navertellen. Hij hoorde enkele woorden, wat klonk als: "Yugo ulu inbal jivvin wunnil us darthir."

Daarna klonk een kreet als : "Udos yutsu", waarna ze vertrokken, met de lichaamsdelen van de eerste scout. Hierbij wisten ze alle voetsporen uit.

De tweede scout bleef veilig in zijn boom zitten tot het licht werd, hij durfde ze niet te volgen. Daarna had hij nog enkele uren gewacht, voordat hij zich durfde te laten zakken. Hij had de plek des onheils nog vluchtig geïnspecteerd en snelde zich toen terug naar het dorp. Daar werd groot alarm geslagen, want het was de eerste keer in deze periode dat er iemand niet meer terugkeerde.

Gelukkig hadden we in ons dorp een talen desundige. En wat zij kon opmaken van wat er gezegd was, was: "Leuk om lol te hebben met onze maan." Zij had deze taal al lange tijd niet meer gehoord, dus kon ze er wat woorden naast zitten. Maar hier waren duidelijk nachtelfen bezig geweest.

We waren nog bij de plek des onheils wezen kijken en het zag eruit als de vorige plek. Omgewoelde grond met bloedsporen. Alle voetstappen waren met grote zorg uitgewist en liepen richting te rivier. Daar werden de oevers weer afgezocht, maar ook deze keer werden er geen sporen gevonden. Precies zoals bij dat wilde zwijn gebeurd was.

Sinds deze brute mishandeling was het`s nachts een week stil geweest, doodstil. Daarna besloten we dat we in kontakt moesten zien te komen met deze nachtelfen. En deze taak was extra moeilijk, want omdat we wisten niet dat juist zij aktief waren in onze omgeving, wisten we ook niet waar ze zaten, of waar ze vandaan kwamen. En bovendien wilden we niet massaal op pad om te zoeken. We moesten met een list erachter zien te komen waar ze vandaan kwamen. Aangezien hun uitgewiste sporen bij de rivier ophielden, was het logisch om daar de stilste uitkijken neer te zetten.

Lang hoefden we niet te wachten. 6 dagen later kwam er een groep van diverse jonge mannen met een tweetal vrouwen. Van boven lieten ze zich langzaam zakken tot vlak boven het water-oppervalk van de rivier. Dit keer hadden ze fakkels bij zich. En een langwerpige kist. Een vrouw zei: "Alu ulu nindel klar." (1) Zouden ze nu ons bos willen affikken? Zoals je wel vaker hoorde in verhalen over nachtelfen? Maar in tegenstelling tot onze beangstige vermoedens, liep een man voorop in de richting van de plek waar de marteling met onze dorpsgenoot plaatsgevonden had. De kist werd door de overige mannen gedragen. Op de plek aangekomen zetten ze de houten kist neer, vlak naast een boom. Erop legde de andere vrouw, welke veel jonger leek dan de eerste vrouw, een stenen tableau. Tegen degene die de weg gewezen had, beveelde deze vrouw: "Uprir velin luet kyorl dossta ulilindit wunnil bashuk." (2)

De man ging naar de plek toe en vlak voor de kist knielde hij. De eerste vrouw, welke duidelijk een hogere rang had, schreeuwde naar hem: "Ilt editirus: `uprir'. Naut harlilik." (3) De man veerde als een bezetene op, om alsnog correct aan het bevel te voldoen.

De hogere vrouw beveelde de man: "Ooble" (4), waarna de man met geheven hoofd zijn tong uitstak. De vrouw pakte van onder haar sierlijke cape een groot mes en snee de man zijn linkeroor af. In een reflex trok de man zijn tong naar binnen, waarna de vrouw beveelde: "Uss editirus: `ooble'." (5)

Weer kwam zijn tong naar buiten. Nu ging zijn rechteroor eraf. Dit keer bleef de tong buiten, maar begroeven zijn tanden zich half in zijn tong. Hij gaf nog steeds geen geluid, ondanks de krampachtige uitdrukking op zijn gezicht.

De vrouw zei: "Nautaska rah" (6), waarna de man zijn linkerhand naar voren stak. Hiervan sloeg de vrouw zijn vingers er één voor één af met haar mes. Het bloed druppelde op de grond. Met zijn tanden diep in zijn tong kon de man deze uit zijn mond houden. De eerste bloedsporen verschenen al op zijn tong.

"Daska rah" (7). De man stak nu ook zijn rechterhand naar voren, waarvan de vingers hetzelfde lot ondergingen. Zijn tanden begroeven zich verder in zijn tong, terwijl ook uit deze vingerstompeltjes het bloed druppelde.

De vrouw beveelde: "Belbau dossta alukirren" (8), wetende dat het zonder vingers best lastig is om je wapens te overhandigen. Maar dat hoorde bij zijn straf. En terwijl de man hiermee bezig was, wat uiteraard pijnlijk was en erg lang duurde, ging zijn bebloede tong onbewust weer terug in zijn mond.

De vrouw zei: "Nindel zah olta. Ghil nindel ooble." (9) De man stak zijn tong weer uit, waarop de vrouw hem vastgreep en er af snee. "Dossta alukirren!" Met neergebogen hoofd vervolgde de man de onverhandiging van zijn wapens aan de vrouw.

Toen gaf deze vrouw een knikje aan de lagere vrouw. Deze zei: "Nin vok. Xuat jivelgg compliraen dematalics. Origato nindol tlu uss screainwhol rilkhel." (10) De man kreeg een stalen ketting om zijn hals. Het ander eeind van de ketting werd om de dichtsbijzinde boom gelegd.

De eerste vrouw beveelde de andere mannen: "Waess ol, jhal honglata olta dro." (11) Met zijn allen stormden ze op de geketene af, rukte zijn kleding van zijn lijf en vilden hem. Zoals ook onze dorpsgenoot levend gevild was. Zijn gespartel hielp niet. Evenmin hielp zijn geschreeuw, welke al spoedig werd onderdrukt met een spreuk.

De beide vrouwen stonden hier geamuseerd naar te kijken. Hierna splitste de groep zich in tweeëen. De lagere vrouw vertrok met de mannen, op één na, een boogschutter, naar de rivier, ervoor zorgend dat ook nu de sporen uitgewist werden. De hogere vrouw zei tegen de van pijn spartelende man op de grond: "dos phuul naut uss del Udossta jalamzild." (12)

Ze draaiden zich alletwee om en liepen een andere kant op dan de rest van de groep. Na enkele passen wierp de vertrekkende man nog een mes op de grond, maar net buiten het bereik van de spartelende man. Nog 10 meter verder beveelde de vrouw: "Bneirpak olta tyinen." (13) Vier pijlen werden op de spartelende man afgevuurd, in elk been twee. Hierna liepen ze verder zonder de sporen uit te wissen, om even later spoorloos te verdwijnen.

Niemand van ons durfde die nacht in de buurt te komen van de kist en de spartelende en geluidloos kermende man. Hevig onder de indruk vertrokken de scouts naar ons dorp. Alleen jammer dat na enige tijd de zwijg-spreuk uitgewerkt raakte. Heel de nacht was het gegil en het geschreeuw van de gevilde te horen.

Zodra het licht werd, was zachtjes het geschreeuw nog te horen. We besloten om zo snel mogelijk de man uit zijn lijden te verlossen. Niet dat we hem dat gunden, maar dat geschreeuw de hele nacht maakte het er ook niet prettiger op. En dus vertrokken we met het halve dorp naar de plek van de kist en de man.

De gevilde man lag nog op de grond. Vermoeid lag hij nog te schokken en de schudden. Bij de boom lagen zijn oren en vellen van zijn huid. Het was hem wel gelukt om naar het mes toe te gaan, maar de ketting was te kort. En door het rollen over de grond zag de man er vies en besmet uit. De dapperste van ons stak zonder waarschuwing een speer door zijn borst en draaide zijn hart om. En ondanks het huidloze gezicht, leek de man ons dankbaar aan te kijken, terwijl hij met een zucht stierf.

Het stenen tableau op de kist bevatte een tekst, geschreven in een algemene taal. Deze luidde:

Deze kist bevat de overblijfselen van jullie man. We probeerden hem nog te reanimeren, maar dat mislukte. De daders zijn gestraft en de verantwoordelijke is hier terecht gesteld. Hij moest beter weten. Doe met hem wat jullie willen. Zijn bezittingen bevinden zich ook in de kist. Kinderen tijdens het volwassenheids ritueel moeten nog leren om federatie genoten met rust te laten. WIJ zijn tenslotte geen beesten.

"We hebben ze beide op passende wijze gecremeerd."


1)Ga naar die plek toe.
2)Ga daar staan en aanschouw je lot met eer.
3)Ze zei: `staan'. Niet knielen.
4)Tong.
5)Ik zei: `tong'.
6)Linkerhand.
7)Rechterhand.
8)Give your weapons.
9)Nu is het genoeg. Hier die tong.
10)Nu luister. Martel geen Matalics-leden. Laat dit een les zijn voor iedereen.
11)Vil het, maar hou het levend.
12)Je hoort niet meer bij ons.
13)Schiet op het's benen.

<=== Naar de Inhoudsopgave