CJIB

Mon 17-Dec-18 - 15:17:22

<=== Naar de Inhoudsopgave

Frustreren van controles

Samenvatting: Mag men anderen waarschuwen voor een controle verderop? In het kort gezegd, dit mag wel, maar ...

Men mag een BOA frustreren, maar men mag een controle niet belemmeren (en niet tegenwerken). Maar hoe kan men dan (legaal) andere weggebruikers waarschuwen voor een controle? Lees onderstaand door om na te gaan hoe men anderen kan waarschuwen op een legale wijze (bord in de berm, wuiven van snelheid-minderen, ...)

Tegenwerken

Op 2 december werd de webmaster van deze site (FlitsService.nl) gearresteerd, omdat hij met een bord, waarop met grote letters stond "RADARCONTROLE", het verkeer zou waarschuwen voor de verderop staande radarauto.

Uw webmaster kreeg hierbij gratis steun van een advocaat, gespecialiseerd in Strafrecht. Inmiddels heeft de rechter uitspraak gedaan. De uitspraak " Vrijspraak" wegens onvoldoende bewijs, is uiteraard voor de betrokkene een goed iets. Helaas is er op het vraagstuk "Mag men waarschuwen?" geen goed antwoord gekomen. De advocaat vond in voorbereiding op de zaak onderstaande artikelen. Leest u het door en oordeelt u zelf. Er zijn wel succesvolle bezwaarschriften tegen een bekeuring voor 'waarschuwen' (RVV 28). Zie Beslissing OvJ op bezwaarschrift vw. 'waarschuwen voor radar' Het tegenwerken van ambtshandelingen Door van Mr. L. van Haaren

In "Ars Aeque" van februari 1973 werd een voor de politiepraktijk belangrijke rechtsvraag bij wijze van prijsvraag aan de orde gesteld, namelijk of strafbaar is het door woorden of gebaren attenderen van automobilisten op een snelheidscontrole van de politie, zodat die automobilisten zich plotseling model gaan gedragen en de maximumsnelheid in acht nemen.

(Let op!! Hier wordt dus niet bedoeld het seinen met groot licht!!, wat u een bekeuring van (toendertijd) fl120,- opleverd wegens onnodig gebruik van het groot licht MH)

Algemener uitgedrukt, gaat het hier om de kwestie onder welke omstandigheden het frustreren van ambtshandelingen, welke dan ook, onder de strafwet kan vallen (artikel 184 Sr.).

Niet alleen in de rechtspraak maar ook in dit blad werd aan deze vraag meermalen aandacht besteed (zie de vaktechnische vragenrubriek in A.P.B. dd. 20 december 1947, p. 494 en dd. 22 augustus 1958, p. 315 en 316, zomede het artikel "Belemmering" in A.P.B. dd 16 april 1960, p 147 - 149)

Voor de toepasselijkheid van het tweede gedeelte van het artikel 184 Sr. - het beletten, belemmeren en verijdelen van ambtshandelingen - gaat het voornamelijk om de volgende vier elementen.

1) ambtenaar

De handeling, welke belet, belemmerend of verijdeld wordt, moet zijn ondernomen door een ambtenaar, met de uitoefening van enig toezicht belast, of door een ambtenaar, belast met het opsporen of onderzoeken van een strafbaar feiten.

In aansluiting op de tweedelige politietaak - handhaving van de openbare orde en opsporen van strafbare feiten - gaat artikel 184 Sr. ervan uit, dat de ordehandhaving geschiedt door politieambtenaren, die op dat moment met de uitoefening van enig toezicht zijn belast en dat de opsporing geschiedt door politiemensen die op dat moment als opsporingsambtenaren fungeren: met andere woorden, de gefrustreerde handelingen moeten zijn ¢fwel op ordehandhaving gerichte daden, gesteld door politiemensen, die met de ordehandhaving zijn belast, ¢fwel op opsporing gerichte daden, verricht door politiemensen, belast met de opsporing van strafbare feiten.

De rechtmatigheid van deze twee soorten van ambtsverrichtingen moet, zoals bekend, worden afgemeten aan de speciale bevoegdheden welke in de wet en de daarop gebaseerde instructies zijn opgenomen enerzijds voor de politiek, belast met ordehandhaving, anderzijds voor de politie, belast me opsporing.

2) de ambtshandeling moet zijn "ondernomen"

Een politieman, die voor verkeerscontrole ergens geposteerd staat, heeft daarmee nog geen (opsporings)handeling "ondernomen", immers dat is slechts het geval als hij aan een opsporingshandeling enig begin van uitvoering heeft gegeven (H.K. dd 7 december 1901, W. 7694, Politierechter Middelburg, dd 18 februari 1927, W 11750 en Hof Amsterdam, dd 24 september 1959, N.J. 1959, ad. 614).

Het nog slechts "op de loer staan" is dus nog geen "ondernomen" opsporingsdaad.

Dat is wel het geval als de ambtenaar zijn hand uitstrekt tot inbeslagneming van een voorwerp (H.R. dd 18 maart 1907, W 8511) of als hij bezig is het kenteken van een motorvoertuig op te nemen, doch daarin wordt belet door de duopassagier, die zijn hand voor het kenteken houdt (H.R., dd 15 november 1926, W 11599).

Dat is ook het geval als de opsporingsambtenaar bezig is middels apparatuur de snelheid van een motorvoertuig te meten.

3) de handeling moet zijn ondernomen "ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift"

Opsporingsdaden zijn in ieder geval handelingen " ter uitvoering van een wettelijk voorschrift", namelijk ter uitvoering van de artikelen 127 jo., 141, 52, 53, 54, 95, 96, 152 Sv., aangezien onder "uitvoering van een wettelijk voorschrift" ook begrepen is het gebruik maken van ambtelijke bevoegdheden, zoals die met betrekking tot de opsporing bijvoorbeeld voorkomen in het Wetboek van Strafvordering (H.R., dd 28 oktober 1895, W 6730).

Ordehandhavingsdaden vloeien dienstovereenkomstig voort uit de artikelen 28, 29 en 35 van de Politiewet en strekken dus eveneens "ter uitvoering van een wettelijk voorschrift".

4) beletten, belemmeren en verijdelen

Van "beletten" is sprake wanneer de ambtshandeling wel reeds is aangevangen, doch haar voltooiing verhinderd, belet, wordt, bv: de opsporingsambtenaar steekt zijn hand uit om een glaasje kleurloos vocht in beslag te nemen, doch dit glaasje wordt snel in de spoelbak leeggeworpen. "Belemmeren" is bemoeilijken van een ambtshandeling (bv. voor de camera staan, SvdL) en "verijdelen" is de gevolgen van een voltooide ambtshandeling ongedaan maken (bv. de flitsauto stelen en tegen een muur rijden, waardoor het fotorolletje onherstelbaar beschadigd is, SvdL). Het tippen van passerende automobilisten

Terugkerend naar de vraagstelling, kunnen we dus antwoorden dat er een overtreding van artikel 184 Sr. per se geen sprake zou kunnen zijn als de automobilisten werden getipt op een moment waarop de "op de loer staande" opsporingsambtenaar nog geen chronometer, gatsometer of radarapparatuur in werking had gesteld, immers de ambtenaar had toen nog geen opsporingshandeling verricht "ondernomen". (Hoe dat zit met Laser apparatuur, wordt niet genoemd namelijk!, SvdL)

Als men gaat tippen wanneer de snelheidsmeting eenmaal is aangevangen, dan is er weliswaar sprake van een "ondernomen" ambtshandeling, doch het tippen-zonder-meer werkt op de ambtshandeling-als-zodanig noch belettend noch belemmerend noch verijdelend. (Met andere woorden; het waarschuwen belemmerd niet de meting)

Van "verijdelen" kan al helemaal geen sprake zijn, omdat de ondernomen meting nog niet volbracht, voltooid is, hetgeen zoals boven gesteld, nodig zou zijn, wil er sprake kunnen zijn van "verijdeling".

Maar ook "beletten" en "belemmeren" kan niet geschieden door tippen-zonder-meer, omdat de gegeven waarschuwing aan automobilisten de opsporingsambtenaar in het geheel niet verhinderde of bemoeilijkte bij het meten van de snelheid van het voertuig over het gecontroleerde traject, al is het natuurlijk wel te verwachten dat die gemeten snelheid plotseling door de gewaarschuwde bestuurder getemperd zal worden! (zie Rechtbank Amsterdam, dd. 28 oktober 1931, W 12397).

In het aangehaalde nummer van "Ars Aequi" somt prof. Mr. A.L. Melai drie redenen op waarom het tippen-zonder-meer niet onder artikel 184 Sr. is te brengen.

In de eerste plaats is de opsporing geen hoogste doel van het strafrecht: het hoogste doel is het bereiken van achterwege blijven van onwenselijk, en daarom strafbaar gesteld, gedrag.

Aan dit hoogste doel is de opsporing dus ondergeschikt, zodat van iemand, die - geheel daargelaten zijn motieven - een ander ertoe brengt van het plegen van een strafbaar feit af te zien in beginsel moeilijk kan worden gesteld, dat hij een verwerpelijke inbreuk maakte op een functioneel handelen van de opsporingsambtenaar, die immers zijn werk eveneens moet richten op voorkoming en bestrijding van zulk onwenselijk gedrag. (Oftewel, waarom keurt een opsporingsambtenaar of politieman het goed dat ik voorkom dat een persoon in beschonken toestand in een auto stapt met de bedoeling die auto te besturen, maar niet als ik voorkom dat diezelfde persoon een snelheidsovertreding maakt?, SvdL)

Het tweede argument van prof. Melai is gelijk aan dat van de Amsterdamse Rechtbank in 1931: de ambtshandeling zelf werd noch belet noch belemmer, alleen het daarmee beoogde doel werd gefrustreerd. Zij werd ook niet "verijdeld", omdat zij w‚l begonnen, maar nog niet voltooid was (zie boven).

De strafbaarstelling van het beletten of belemmeren van ondernomen ambtshandelingen in artikel 184 Strafrecht Sr. richt zich slechts tegen zodanige obstructie, dat daardoor de handelingen z‚lf worden belet of belemmerd.

Dit blijkt uit de duidelijke tekst van artikel 184 Sr.

Als derde argument brengt prof. Melai naar voren dat een loslaten van de strikte omlijning van artikel 184 Sr. tevens gevaar zou inhouden voor de rechtszekerheid, welke artikel 1 84 Sr. beoogt veilig te stellen.

Immers daardoor zou onzeker worden hoe ver precies artikel 184 Sr. kan reiken, omdat het zwaartepunt van de grensafbakening van de onvrijheid der rechtsgenoten, besloten in artikel 184 Sr., daardoor zou worden verlegd van een ondubbelzinnig wettelijk voorschrift naar het minder afbakende gebied der interpretators. (Bijvoorbeeld, u zou gearresteerd kunnen worden, omdat u een agent de weg vroeg terwijl hij het verkeer aan het regelen is MH)

N£ weten wij dat bv. verstoring van het radiocontact tussen de controlepost en de elders opgestelde ambtenaren, belast met staandehouden en verbaliseren, w‚l de ambtshandeling aantast en dus strafbaar is, terwijl het alleen maar tippen van automobilisten niet ingrijpt in de ambtshandelingen van de opsporingsambtenaren en daarom buiten artikel 184 Sr. valt.

Bovenstaand artikel is gebaseerd op de onderstaande casus. Rechtsvraag

Antwoord op rechtsvraag (43) in Ars Aequi XXI, 9 (strafrecht)

Door: Prof. Mr. A.L. Melai, Leiden.

De politie van de gemeente X. heeft proces-verbaal opgemaakt tegen een zekere in de gemeente wonende Z., omdat deze Z. het werk van de politie zou hebben bemoeilijkt. Z. had in de Dorpsstraat van genoemde gemeente het 11-jarig meisje A. op pad gezet om automobilisten te waarschuwen tegen plaatselijke politiecontrole op de snelheid van motorvoertuigen. Dat meisje was voorzien van een bord met de navolgende - naar de openbare weg gekeerde - tekst: "Houdt U aan de voorgeschreven snelheidsbeperking. Vroeger of later loopt U tegen de lamp. In dit geval vroeger al over 100 meter!" De politie - geconfronteerd met feilloos verkeersgedrag - werd over de achtergrond daarvan ingelicht door een dorpeling (de verrader! MH). Na het meisje A. onder de voor omschreven omstandigheden te hebben aangetroffen en vervolgens zowel dat meisje als genoemde Z. te hebben gehoord, maakte de politie het in de aanhef vermelde proces-verbaal op. Z. erkende tegenover de politie de hiervoor weergegeven toedracht - daarin lag opgesloten zijn oogmerk om te waarschuwen tegen de plaatselijke snelheidscontrole - en verklaarde zijn handwijze toelaatbaar (niet strafbaar) te oordelen.

Vraag: heeft Z. zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit?

(1) In het vooromschreven geval gaat het om de vraag in welke functie de politie controle uitoefende op de snelheid van het verkeer en of kan worden gezegd dan Z. - onder meer gelet op artikel 184 Sr. - een strafbare inbreuk op de uitoefening van die functie heet gemaakt.

Met het oog op de functie van de politie bepaalt artikel 28 Politiewet: "De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregelen te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de radarcontrole en het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven". Bij enige behoefte aan meer inzicht in de aard van de draagwijdte van die taken blijkt de informatieve waarde van dit abstracte voorschrift zeer beperkt. Uit de kern van dit voorschrift: dat de politie heeft te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de "rechtsorde" en dat zij daarbij onderworden is aan "de geldende rechtsregelen" en aan het toezicht van "het bevoegd gezag" - valt af te leiden, dat voor nadere opheldering van de politietaak de wetgeving zal moeten worden geraadpleegd. Die raadpleging levert op, dat - behalve met een reeks uiteenlopende opdrachten op grond van bijzondere wetten, zoals op grond van de Vreemdelingenwet - de politie vooral is belast met de opsporing van strafbare feiten en de handhaving van de openbare orde (zie oa. Artikel 141 Sv. En artikel 35 Politiewet). Bij de uitvoering van die twee van elkaar te onderscheiden taken, staat de politie onder verschillend "bevoegd gezag": bij de opsporing van strafbare feiten staat de politie (met name de in artikel 141 Sv. genoemde ambtenaren) onder de "bevelen" van de officier van justitie (artikel 35 Politiewet). Die hi‰rarchische lijnen naar de top blijven in verband met hun hier niet ter zake doende complicaties verder buiten beschouwing.

De mogelijkheid de twee genoemde taken van de politie in abstract duidelijk van elkaar te onderscheiden, betekent niet dat die onderscheiding bij de uitvoering daarvan in de werkelijkheid ook steeds gemakkelijk valt te maken. Er bestaat bijvoorbeeld verschillende opvattingen over de vraag: of het voorkomen van strafbare feiten valt onder de justiti‰le politietaak, dan wel dat in de handelswijze de openbare orde op een bepaalde wijze wordt gehandhaafd. Voor het eerste standpunt kiest Van Bemmelen (Ons Strafrecht II, vierde druk, p. 46); Ensched‚ kiest voor het tweede (Beginselen van Strafrecht, õ 17 en Cahiers van het "Semarium van Hamel", # 8 - 1970, de politie p.1.). De politieman die een beschonkene van de openbare weg verwijdert - en tijdelijk ter ontnuchtering in bewaring stelt - handhaaft de openbare orde en voorkomt of bestrijdt zodoende het begaan van een strafbaar feiten of het de voortzetting daarvan (zie artikel 246 en 453 Sr. en H.R. 11 maart 1929, NJ 1929 p. 895). In een ander geval is het mogelijk dat van de uitoefening van de opsporingtaak - bijvoorbeeld in de vorm van politiepatrouilles over de verkeerswegen - ook preventieve werking uitgaat (Ensched‚ in de hiervoor vermelde Cahier, p.3). Het gaat bij de hiervoor vermelde onderscheiding niet om de naamgeving of om eisenanalytische beschouwing over het "weren" van de genoemde taken, maar om de maatschappelijke zin van de ter uitvoering daarvan verrichte handelingen. Niettemin is de vermelde onderscheiding van grote betekenis, omdat de politie op de aangegeven gebieden niet arbitraal functioneert, maar daarentegen op grond van een specificatie van in de wet, of daarop gebouwde instructies nader omlijnde bevoegdheden (zie oa. De artikelen 1, 52,53, 56 Sv. en artikel 28 Politiewet, in het bijzonder de woorden "in overeenstemming met de geldende rechtsregels"). Aan deze wettelijke legitimatie van de ambtsverplichtingen van de politie ontleent de burger zijn ori‰ntatie voor de vraag: wat hij in concrete gevallen van de zijde van de politie heeft ondergaan of te gedogen en wanneer verzet daartegen een strafbaar feit meebrengt.

(2) Met het oog op deze laatste vraag is in verband met het in de aanhef vermelde geval van belang, dat in artikel 184 Sr. onder meer strafbaar is gesteld: het opzettelijk beletten, belemmeren of verijdelen van een handeling, die - ter uitvoering van een wettelijk voorschrift - wordt ondernomen door een met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaar. De in de casus weergegeven toedracht rechtvaardigt in elk geval de veronderstelling, dat de betrokken politieambtenaren de handelwijze van Z. als een inbreuk hebben beschouwd op hun werk en niet hebben uitgesloten dat daarin het vooromschreven strafbare feit lag opgesloten. De graad van overtuiging in verband met dit laatste aspect en de gronden waarop die overtreding berust, blijven hier - als een zelfstandig probleem in verband met de vraag naar de gerechtvaardigheid van de daadwerkelijke toepassing van draagmiddelen - buiten beschouwing.

De kernvraag is of de handelswijze van Z. kan worden aangemerkt als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 184 Sr. Voor de beantwoording van deze vraag moet worden voorop gesteld, dat met de georganiseerde controle op de snelheid van motorvoertuigen - afgezien van daaraan verbonden preventieve werkingen - allereerst wordt beoogd overtredingen als bedoeld in de artikelen 51 en 139 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens te signaleren en hetzij na aanhouding van de dader (artikel 58 Sv), hetzij na op andere wijze de persoon van de dader te hebben achterhaald, daarvan proces-verbaal op te maken als bedoeld in de artikelen 152 en 158 Sv. Aldus beschouw ligt de hier bedoelde onderneming van de politie op het gebied van de opsporing van strafbare feiten en is er in het gegeven geval sprake van ambtenaren, zoals de wetgever die in het vooromschreven delict van artikel 184 Sr. tot uitgangspunt heeft gekozen.

De vraag is misschien of Z. een handeling van een opsporingsambtenaar ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift heeft gefrustreerd of verijdeld als bedoeld in artikel 184 Sr., waarbij wij daarlaten in hoeverre de inschakeling van een 11-jarig meisje betekenis zou hebben voor een bepaald type daderschap (artikel 47 Sr.). De hiervoor omschreven vraag moet ontkennend worden beantwoord. De meest verstrekkende grond voor dit standpunt berust hierop, dat de opsporingsonderzoek trekt tot het achterhalen van feiten, die - bij een strikt op het recht geori‰nteerd gedrag van de rechtsgenoten - in het algemeen (dus afgezien van gevallen van twijfel omtrent de inhoud van het recht) niet zouden voorkomen. De strafbaarverklaring van een feit (handeling) is uit rechtsoogpunt immers een onderstreping rui generis van de onwenselijkheid van dat feit. Hierin ligt opgesloten dat "opsporing" als een complex van de op het strafproces betrokken verrichtingen geen positieve waarde of betekenis heeft op zichzelf, maar uitsluitend als middel tot opheldering en/of bestrijding van bepaald onwenselijk (strafbaar) gedrag. Aangezien dit laatste gedrag uit rechtsoogpunt nu juist niet behoort voor te komen, kan van iemand - die (geheel daargelaten zijn motieven) een ander er toe brengt van strafbare overtreding van de wet af te zien - moeilijk worden gezegd dat hij een verwerpelijk inbreuk maakt op een functionele handleiding van een opsporingsambtenaar.

In zoverre rust op de burger snel met het oog op de opsporing van strafbare feiten dan ook geen "obligation de r‚sultat", waarvan de strekking zou zijn dat hij (de burger) het ontstaansproces van een delict niet zou mogen verstoren. Daaraan doet niet af dat de politie er tot opheldering van een ernstige of omvangrijke zaak soms op opportunistische gronden prijs op stelt over iemand "als verdachte" in de zin van artikel 27 Sv. te kunnen beschikken. Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om te zien waarin het tegengestelde van het hiervoor ingenomen standpunt zou leiden.

De hoofdvraag moet ook ontkennend worden beantwoord op grond van de technische finesse van artikel 184 Sr. zelf. Bij een snelheidscontrole van het hier gegeven soort moet worden onderscheiden tussen 1) het optellen van de politie, 2) het constateren van een overtreding (op heterdaad) en 3) het aanhouden van de verdachte (artikel 58 Sv.) of het fotograferen van het kenteken van het betrokken motorvoertuig. Het onder 3 vermelde staartstuk van de onderneming word ook vaak aldus geregeld, dat een controlegroep van de politie de overtreding (meestal niet gebruikmaking van apparatuur) "constateert" en het resultaat radiografisch doorgeeft aan elders opgestelde opsporingsambtenaren om de betrokken automobilist aan te houden en proces-verbaal op te maken (zie de artikelen 53, 152 en 153 Sv.).

Onder de eigenlijke opsporingshandelingen - in het bijzonder onderhandelingen als bedoeld in artikel 184 Sr. - moeten niet onder 1 vermelde opstellingen maar uitsluitend de hiervoor onder 2 en 3 vermelde verrichtingen worden begrepen. De onder 1 genoemde opstelling is weliswaar een in het concrete geval noodzakelijke voorbereidingshandeling, maar als zodanig - ge‹soleerd beschouwd - geen handeling die zelf wordt ondernomen "tot uitvoering enig wettelijk voorschrift". (Zie Rechtbank Middelburg, 18 februari 1927, NJ 1927, 1019). Voor zover de onder 2 en 3 vermelde handelingen daarentegen alleen tegen obstructie waardoor die handelingen zelf worden belet, belemmerd of verijdeld. Deze beperking ligt allereerst in de duidelijke woorden van de betrokken strafbepaling opgesloten. In de tweede plaats zou uitbreiding van die bescherming elke mogelijkheid tot nadere (ondubbelzinnige) omlijning van de betrokken strafbepaling in strijd met een grondtrek van ons strafrecht uitsluiten (artikel 1 Sr.). Het valt immer niet in te zien, hoe de striktheid van de vooromschreven beperking zou zijn te verkrijgen, die even ondubbelzinnig de grens zou trekken tussen het wel en niet strafbare. Een variant op het laatste bezwaar is, dat de (dwang)middelen van de overheid - waarvan de burger de toepassing heeft verdragen of te gedogen - vrij behoren te blijven van elke arbitraire vervloeiing. In de navolgende beslissing is - zonder uitvoerig constatering van een juist begrip voor het hiervoor weergegeven standpunt blijk gegeven: Pol, rechter Dordrecht, 21 maart 1924, NJ 1924, 882: Rechtbank Amsterdam, 28 oktober 1931, NJ 1931, 134: Rechtbank van Justitie, Medan, 20 januari 1933, Ind. T. v/h R, 137, 440.

Uit voorgaande vloeit voort, dat op grond van radiografisch contact tussen opsporingsambtenaren in een controlepost en de elders opgestelde ambtenaren, die belast zijn met de aanhouding van verkeersovertreders en het opmaken van proces-verbaal. Maar wat Z. in het boven vermelde geval deed is niet strafbaar.

Prof. Mr. A.L. Melai, Leiden.

Deze artikelen zijn bewerkt voor http://www.flitsservice.nl/ door SvdL, 30-3-01, Maastricht.

Bron: http://images.flitsservice.nl/juridisch/html/tegenwerken.htm

<=== Naar de Inhoudsopgave